Geplaatst op Geef een reactie

‘Uiltje’, de Kruiwagen en Nikkel

Als 5-jarige jongen herinner ik me een paar gevangenen in Veenhuizen die onder leiding van een werkmeester in de bakkerij tegenover onze woning aan de Oude Gracht (nu Gevangenismuseum) werkten. Ik kwam er vaak even en het vers gebakken broodje dat ik kreeg zal ik nooit vergeten.

Het waren over het algemeen arme werkeloze sloebers, die veroordeeld waren voor kleine vergrijpen zoals zwervers, bedelaars, alcoholisten die aan lager wal waren geraakt en daardoor in Veenhuizen terecht waren gekomen. Ze werden voor het minste geringste, (zelfs voor het stelen van één cent ) opgepakt en kregen van de rechter zo maar drie jaar Veenhuizen opgelegd.
Ze werden daar zogenaamd ‘verpleegd’ en daarom ‘verpleegden’ genoemd.
‘Werk en Bid’ (het is toch ‘Bid en Werk’?) staat op een van de woningen daar en dat was ook waarmee ze van hun ‘luiheid’ en alcoholprobleem verlost zouden worden. Daar leerden ze een vak, werden ze een ‘beter mens’ en konden weer op eigen benen staan. Maar dat lukte lang niet bij iedereen. Het idee was natuurlijk geweldig, maar de praktijk was vaak anders…..
Het gebeurde regelmatig dat, als een gevangene “Groot Verlof” had gekregen en zichzelf moest redden, hij tegen de winter opzettelijk weer in de fout ging en aanklopte bij de poorten van Veenhuizen om weer naar binnen te mogen.
Zo ging dat ook met een van de meest opmerkelijke verpleegden: Leen den Uyl, die niet alleen door mij “Uiltje” werd genoemd. Het was een gedrongen mannetje met een typische spitse neus met daaronder een snorretje en hij had grote priemende ogen, als van een uilenkop. Hij was de zoon van een rijke boer in Zeeland. Niet onbemiddeld zou je denken, maar Uiltje was het zwarte schaap van de familie. Hij was tussen wal en schip geraakt en moest bedelen om zich in leven te houden, want zijn familie had hem verstoten. Een vak had hij niet geleerd en hij had geen thuis meer.
Het was op een bepaald moment zo erg met hem gesteld, dat hij vanwege bedelarij werd opgepakt en naar Veenhuizen gebracht.
Daar kreeg hij werk, genoeg te eten en onderdak. Hij was een gelukkig mens en voelde zich helemaal thuis tussen zijn soortgenoten.
Ik zag hem aan de overkant van de gracht de hele dag sjouwen achter zijn kruiwagen.
Willem Kroes, die tien jaar ouder was dan ik, kwam hem jaren later als GeWa geregeld tegen en vroeg vaak aan hem: “Hey, jij alweer hier, Uiltje? Gaat het goed met je?” 
Waarop Uiltje antwoordde: “Geweldig meneer, elke week een pakje Nikkel pruimtabak van 5 cent en elke week een verschoning, ik heb niks te klagen.” Als je hem vroeg, hoe hij in Veenhuizen gekomen was, wees hij op zijn keel en zei: “Kijk meneer, hier is een hele boerderij doorheen gegaan.”
Niemand had het lef om aan zijn kruiwagen te komen. Die stond bij de bakkerij op het Tweede Gesticht. Hij was de baas en bracht daar dagelijks turf om de ovens heet te houden.
Elke keer als hij verlof had, lag de kruiwagen aan de ketting.
 Het werd voorjaar en Uiltje’s tijd zat er weer op. De kruiwagen ging aan de ketting en hij mocht naar huis. Maar waar moest hij heen? Hij had kind noch kraai en zijn familie zat ook niet op hem te wachten. Dus hij zwierf dan een paar dagen doelloos heen en weer tot het geld dat hij bij de bakkerij verdiend had op was en prompt meldde hij zich weer bij de poort van de gevangenis. “Pak me maar weer op meneer, ik wil er weer in,” zei Uiltje.

Zwarte Mulder, Majoor bij de GeWa, had een beetje medelijden met Uiltje, maar kon geen gehoor geven aan zijn verzoek. ”Ik kan je zo niet binnen laten,” zei hij.
”Je hebt geen overtreding begaan of een misdaad gepleegd. Dus kun je niet opgenomen worden, maar weet je wat? Ik moet naar Assen, ga maar mee naar de politie, dan proberen we het daar.”
Ze kwamen samen op het politiebureau, maar de dienstdoende agent had weinig oog voor Uiltjes probleem. Hij reageerde hierop met: “Er zijn nogal wat regels voor opname in Veenhuizen. U komt zo maar niet meer de gevangenis in, maar heeft u ook geld?” “Ja,” zei Uiltje trots, in de hoop dat hij zich hiermee zou kunnen inkopen in Veenhuizen: “Ik heb zeker wel honderd gulden, meneer.” Dat was best veel geld voor die tijd, maar de agent reageerde negatief: “Nou, dan kunnen we u niet oppakken, want alleen mensen zonder geld kunnen we binnen laten.”
Uiltje reageerde geschokt op dit voor hem onverwachte antwoord: “Maar wat moet ik dan doen om weer de gevangenis in te mogen?
 Moet ik dan eerst een ruit ingooien hier op het politiebureau?” vroeg Uiltje. “Ga eerst maar eens een paar keer naar de hoeren met je honderd gulden en als je niks meer hebt, kunnen we zien wat we doen,” was het antwoord van de politieagent. “Dat is vies meneer”, zei Uiltje.
Hoe hij het daarna toch steeds klaarspeelde, wist niemand. Maar Uiltje kwam ook deze keer terug in zijn geliefde Veenhuizen en de kruiwagen voor de turf ging weer van de ketting………

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *