Geplaatst op Geef een reactie

De Medische Dienst van BajesDorp (Veenhuizen 1960-1970) Deel 1

Deel 1: Uitstekende zorg “Goudmijn”


De medische dienst in Veenhuizen stond in de 19e eeuw al hoog aangeschreven in Nederland. Dat was ook geen wonder want er kwamen in de begintijd nogal wat verzwakte, slecht doorvoede wezen en bedelaars naar de gestichten, die dringend medische hulp nodig waren.
Daar zaten ze betrekkelijk dicht op elkaar, zodat bepaalde infecties en virussen snel om zich heen konden grijpen.
De bedelaars gingen en de criminelen kwamen…

Veenhuizen werd al in de 19e eeuw steeds meer ingericht tot één van de strengst bewaakte gevangenissen van Nederland. De medische dienst was daar al vroeg zo belangrijk, dat er een vaste huisarts kwam voor de gestichten. Deze woonde aanvankelijk ook in het dorp.
Er werd in 1893 zelfs een hospitaal gebouwd dat in 1922 werd uitgebreid en waar patiënten een voor die tijd uitstekende verzorging en verpleging kregen.
De medische dienst ging met de tijd mee en patiënten die specialistische hulp nodig waren, werden doorverwezen naar het ziekenhuis van Assen.
De zorg in eerste lijn bleef en het verpleegkundig personeel werd steeds professioneler.

Zorg over 3 gestichten

In mijn 3 boeken “Bajesverhalen Veenhuizen”, “De Geheimen van BajesDorp” (1818-2018) en “Veenhuizen van onder de Pet” heb ik al e.e.a. verteld over de medische behandeling in “BajesDorp.” Nu ga ik wat uitgebreider op het verleden in.
Kortgeleden sprak ik een oud-verpleegkundige, die al jaren met pensioen was.
Het was op een mooie nazomerdag van 2020 dat hij me vertelde over de ontwikkeling van de medische dienst vanuit de jaren ’60-‘70 van de vorige eeuw en die hij nog meegemaakt heeft.

“Ik kwam als jong gediplomeerd verpleger vanuit een psychiatrisch ziekenhuis naar de medische dienst van de strafgevangenissen van Veenhuizen in een totaal andere wereld“ zegt hij…
“We hadden daar de dagelijkse medische zorg over alle gevangenen in de 3 gevangenissen te weten: Norgerhaven, Esserheem en Bankenbosch. Daar zaten af en toe ook mannen tussen, die psychotisch of depressief waren, maar over het algemeen hadden we daar te maken met andere klachten, die normaal waren voor elke huisartsenpraktijk.
Hoewel, de meeste mannen, die op het spreekuur kwamen, hadden helemaal geen klachten. Die verzonnen van alles, als ze maar niet hoefden te werken. Maar daarover straks meer…
Aan het hoofd stond een huisarts, die speciaal aangesteld was door Justitie. Later werd dat de huisarts uit Norg, die dagelijks ook een aantal uren spreekuur hield in Veenhuizen.
Er kwam wekelijks een tandarts, er was een fysiotherapeut, een hoofdverpleger en verder was er een aantal gediplomeerde verplegers, zoals ik.

Per verrichting: Goudmijn

De tandarts en de fysiotherapeut werden per verrichting betaald en dat pakte, voorzichtig gezegd, voor hen niet verkeerd uit. Het was een goudmijn voor ze.
De tandarts jaste er op een middag in 3 uur zo’n 20 patiënten door. Hij was een meester in het trekken van kiezen.
De arts had bovenop zijn eigen praktijk, een vast salaris bij Justitie. Die had ook niet te klagen.
Hij verdiende zelfs zoveel, dat hij een inkomen had dat uitstak boven dat van de Hoofddirecteur. Bij de bewakers, de overige ambtenaren en hun directeuren trok dat hier en daar wel wat scheve gezichten.
Het was altijd zo geweest dat de Hoofddirecteur belangrijker was dan de burgemeester van Norg. Hij was het hoogst in rang en had daarom ook het hoogste salaris en het mooiste huis (Klein Soestdijk) aan de Hoofdweg van Veenhuizen. Maar zo was dat door Justitie geregeld en daar viel niet aan te tornen..
Ook wij als verpleegkundigen hebben daar een gouden tijd gehad met een salaris dat voor die tijd veel hoger lag dan dat van de gemiddelde ambtenaar. We waren een goed team en de samenwerking was prima.

(wordt vervolgd)

Geplaatst op Geef een reactie

Hollands Siberië deel 2

Slaapkooien Gevangenisveenhuizen.nl

Menswaardiger aanpak

Daar moest iets aan gedaan worden, vond ook de directie.
De positief ingestelde gedetineerden werden gescheiden van de negatieve en ondergebracht in verschillende zalen.
Maar….dit werkte voor geen meter. De negatieve groep werd alleen maar gewelddadiger.
Dus besloot men tot een gemengde groepsindeling.
Een controlegroep bestaande uit een directielid, een sociaal ambtenaar, een personeelslid en een huismeester, maakte een keus, wie het best in welke groep thuishoorde.
Maar er kwamen in de jaren erna steeds minder bedelaars en steeds meer psychisch gestoorde agressieve gedetineerden naar Veenhuizen, waardoor de onrust alleen maar toenam.

‘Hondenhokken’ 3x zo groot

De directie wilde een menswaardiger aanpak van de gevangenen. Ze moesten zich ‘beter thuis’ gaan voelen en men besloot om de levensomstandigheden te verbeteren.
De houtkachels werden voortaan op cokes gestookt (later op olie), waardoor de lucht in de vertrekken schoner werd. De stalen slaapkooien (‘hondenhokken’) werden 3x zo groot door ze aan elkaar te lassen.
Er kwam een beklagcommissie, waarbij klachten van gedetineerden gegrond konden worden verklaard en waardoor soms onpopulaire maatregelen werden teruggedraaid.
Het eten in de gevangenis was goed, maar de een kreeg meer dan de ander, omdat er onderscheid was in 3 groepen van zwaar werk, middelzwaar- en licht werk.
De gevangenen die het zwaarste werk deden, kregen meer dan degenen met licht werk en dat gaf veel jaloezie onderling.
Iedereen kreeg in het vervolg evenveel op zijn bord en weer was er een probleem opgelost.
Een andere maatregel betrof de censuur, de controle op alle inkomende en uitgaande post.
Voor veel gedetineerden was het een doorn in het oog en iedereen was blij toen dit werd opgeheven.

Van koude kermis thuis

Veenhuizen werd in die tijd ook wel “Hollands Siberië” genoemd, want volgens velen was het er altijd koud en het dorp lag in een uithoek van de wereld.
De gedetineerden mochten tot ca. 1970 geen bezoek ontvangen, maar ook dit werd in 1972 beperkt toegestaan. Er kwam een strikt gereguleerde bezoekregeling voor de weekenden, maar dat ging aan de bezoekerskant nog wel eens mis.
Men had natuurlijk nog geen navigatie in die tijd en het was nogal een uitzoekerij om bij de gevangenen op bezoek te komen.
Stel je voor: Bezoekers vanuit het zuiden van het land vertrokken ’s ochtends vroeg om hun dierbaar familielid op een mooie zaterdag te bezoeken in de “Strafgestichten van Norg”, zoals de gestichten destijds heetten.
Ze kwamen om een uur of elf met de trein in Assen op het station aan en namen vervolgens de bus naar Norg. Daar kwamen ze ca. twaalf uur aan en tot de ontdekking, dat de “Strafgestichten van Norg” niet in Norg maar in de gemeente Norg lagen. De gevangenis Esserheem Veenhuizen was nog zo’n 12 km verder.
Daarna was het onmogelijk om nog op tijd te komen voor het bezoekkuur, want er reden niet veel bussen van Norg naar Veenhuizen.
De bezoekers besloten onverrichter zake met de eerstvolgende bus weer naar Assen te gaan en de trein naar huis te nemen. 

Ze kwamen “van een koude kermis thuis” uit “Hollands Siberië”, zoals
Veenhuizen niet voor niks genoemd werd in die tijd………………….

Geplaatst op Geef een reactie

Hollands Siberië 1950-1970

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw waren de gevangenissen in Veenhuizen sterk verouderd vergeleken bij andere in Nederland. De gebouwen waren nodig aan een opknapbeurt toe.
Het leven in de gevangenis was, vergeleken bij nu, erg sober en keihard.
In de winter waren vooral de nachten erg koud. Zonder verwarming sliepen de gevangenen met 80 man op een zaal in een onmenselijk kleine stalen kooi (ca. halve meter breed) waarin een hangmat hing.
Ze werden door de gevangenen ook wel ‘hondenhokken’ genoemd.

De open gevlochten stalen kooien werden door de gedetineerden zelf in de smederij gemaakt.
“Je kan je kont er niet in keren,” zei mijn vader eens, nadat hij daar 8 jaar bewaker was geweest.
In de kooi was buiten de hangmat geen toilet. Een ieder kreeg ’s avonds een grote pot (nachtspiegel) mee, die hij zelf de volgende ochtend moest legen en schoonmaken nadat hij ontsloten was door een bewaker. De spotprent hiernaast is gemaakt door een van de bewakers toentertijd ca. 1950 en geeft een beetje de sfeer aan, waarin e.e.a. gebeurde.
Het was er koud en vooral in de winter.
In de werkplaatsen stond een rokende houtkachel, maar die gaf lang niet genoeg warmte om het hele vertrek te verwarmen.
Veel negatief ingestelde gevangenen klaagden dan ook over de slechte leefomstandigheden en er kwamen regelmatig opstanden voor, die soms dusdanig uit de hand liepen, dat de Gestichtswacht moest ingrijpen…… (Wordt vervolgd)