Geplaatst op Geef een reactie

De Medische Dienst van BajesDorp Veenhuizen (1960-1970) Deel 4

Agressie in de Bajes

Veel moeite hadden we toen ook al met alcoholisten. Die kwamen ’s maandags van verlof terug. Een groot deel ervan rolde zowat uit de bus, want ze waren nog lang niet nuchter van de vorige dag. Een aantal had zelfs nog een laatste slok genomen in de stationsrestauratie van Assen en kon niet meer op hun benen staan.
Sommigen waren de hele maandag niet aanspreekbaar. Die waren nog zo dronken, dat ze ter ontnuchtering afgevoerd werden naar de Rode Pannen.

Doos, poedertje of dwangbuis

Het gebeurde ook wel zonder alcohol dat iemand verward of agressief reageerde.
In het begin van mijn loopbaan was het doel om ze rustig te krijgen, want daar waren wij en de bewakers het meest bij gebaat. Als dat niet lukte, kreeg de patiënt soms een doos over het hoofd. Dat hielp vaak wel om ze te kalmeren. Zo niet, dan mochten ze een nachtje in de Rode Pannen tot bedaren komen.
Een enkeling, die door bleef razen, werd vastgebonden op “de fiets”, een soort dwangbuis in een cel van de Rode Pannen. Daar werkten ze ook met “Poedertjes”, dat was niet meer dan wat kalk dat ze van de muren schraapten en als placebo diende.
“Hier word je echt rustig van,” zeiden de bewakers dan en het werkte!

20 cc voor de nacht

Een middel, dat we maar zelden gebruikten als iemand uit zijn dak ging, was een zwaar dempend geneesmiddel tegen psychose in drankvorm. Dat hadden we in flessen. Daar kreeg zo’n patiënt voor de nacht 20 cc van.
Als iemand onhandelbaar, agressief of angstig was, zei de hoofdverpleger tegen ons:
“Geef hem maar 20 cc” en verder: “Dat schenk ik zelf wel even in.” Dan was het eerder 40 cc dan 20 cc en je had geen kind meer aan die patiënt.
Later pakten we dat anders aan. Ze moesten bij ons afkicken en die aanpak was redelijk eenvoudig.
We hadden voor de alcoholisten een drankje dat goed werkte. We gaven ze Medisana in een plastic bekertje en ze kregen 6x per dag 20 cc.
Gek waren ze erop! Ja! Dank je de donder, geen wonder, want daar zat alcohol in. Ze kwamen trouw hun medicatie halen en het klinkt gek, maar we hadden er succes mee.
Binnen een week werd de dosering teruggebracht en zo waren de meesten na een betrekkelijk korte tijd nuchter, van de drank af. Dat gebeurde trouwens niet zonder de nodige ontwenningsverschijnselen, zoals trillen en zweten en wij maar hopen dat ze nuchter bleven. Zo hebben we verschillende gevangenen van de drank afgeholpen, maar aan de andere kant dweilden we met de kraan open, want vooral op Bankenbosch werden de flessen drank op afspraak over het hek gegooid.
Wat we ook probeerden om dat te verhinderen, daar konden we niet tegen op……..
(Wordt vervolgd)

Geplaatst op Geef een reactie

De Medische Dienst van BajesDorp (1960-1990) Deel 3

De Medische Dienst van BajesDorp Veenhuizen (1960-1970)
Deel 3

Strenge Patiëntenselectie

We hadden een directeur, Nanninga heette hij. Die heb ik nog even meegemaakt. Hij was vaak lang van stof tijdens vergaderingen, maar als het op het beoordelen van rapporten van bewakers aankwam, was het een snelle beslisser. Hij wist wel raad met de afhandeling van de vele klachten die er binnenkwamen van en over gedetineerden. Zo behandelde hij op een ochtend een rapport over een gedetineerde die een bewaker had uitgescholden: “Gedetineerde Visser luister, ik lees hier in een rapport, dat u bewaarder Jansen uitgescholden hebt voor klootzak. Klopt dat?”
“Nou, dat wil ik wel even toelicht….”
“Nee, klopt dat?”
“Eh… Ja, maar…”
“Zeven dagen strafcel. Onherroepelijk! Eruit, weg wezen jij!!” Dit soort klachtenafhandeling werd natuurlijk niet door elke ‘Jansen’ gepikt en het is dan ook geen wonder dat de afhandeling van gefundeerde klachten later menswaardiger behandeld werd en de bewaker niet altijd in het gelijk werd gesteld.

Simulanten

Alle gevangenen moesten wat doen voor de kost en een groot aantal had zware arbeid op het land. Als ze zich ziek konden melden kregen ze vaak wat licht werk binnen de muren of bleven een paar dagen in bed. Van buiten af was het vaak moeilijk om de simulanten eruit te vissen voor het spreekuur.
We hadden in ons team een hoofdverpleger Kees van de Gruiter die streng was in het voorselecteren van patiënten. Hij dacht aan de gezichten van de mannen te kunnen zien wie er simuleerde en stuurde ze vaak zonder te vragen wat hen mankeerde, de wachtkamer uit met de mededeling: “Opdonderen jullie, aan het werk met je luie kont.”
Ja, en daar zaten ook wel eens patiënten tussen die echt wat mankeerden. Dus dat gaf af en toe grote problemen.
De meesten liepen al mokkend kwaad weg, maar sommigen werden na een aantal keren zo kwaad, dat zij de bajes wilden ontvluchten. Die werden zo wanhopig, dat ze er alles voor over hadden om uit Veenhuizen weg te komen.

Drol op tafel

In die tijd werden de meesten ook wel weer teruggehaald door de Gestichtswacht, hoewel het een enkeling lukte om langere tijd of zelfs voorgoed weg te blijven uit Veenhuizen.
Zo was er één die letterlijk “een stronthekel” had aan de hoofdverpleger.
Hij was al diverse keren weggestuurd van het spreekuur, terwijl hij serieuze klachten had. Dat maakte hem zelfs zo kwaad, dat hij uiteindelijk een plan opzette voor zijn vlucht uit de gevangenis.
Zijn wrok tegen de hoofdverpleger was zelfs zo groot, dat hij vlak voor hij verdween, op de tafel voor het paviljoen een fikse drol achterliet met een briefje op een stokje erin gestoken: “En de groeten aan Kees van de Gruiter!!!”

(Wordt vervolgd)

Geplaatst op Geef een reactie

De Medische Dienst van BajesDorp Veenhuizen (1960-1970) (Deel 2)

De Simulanten

Werken? Mij niet gezien!

We zagen en hoorden natuurlijk veel van wat er in en om de bajes gebeurde, als ze op het spreekuur kwamen, maar we hadden net als de bewakers, geheimhoudingsplicht. Dat gold  niet alleen op medisch gebied, maar we mochten ook niet vertellen welke misdaden de gevangenen hadden begaan en wat ze binnen en buiten de poort uitspookten. Dat bleef allemaal onder de pet.
Iedere gevangene was verplicht om dagelijks 8 uur te werken in de fabrieken, de werkplaatsen, de bossen of plantsoenen, maar daar had niet iedereen evenveel zin in.
Vooral onder Antillianen en Surinamers waren veel simulanten. “Werken? Maar dáár kwamen we toch niet voor naar Veenhuizen? We moeten jaren zitten, maar werken? Ho even! Mij niet gezien! Liever een weekje all in liggen in het Hospitaal.”
Logisch, want het gevangenisleven viel natuurlijk niet mee voor degenen die gewend waren om lekker te relaxen onder wuivende palmbomen.
Vaak zaten er ’s morgens zo’n 30 van die gasten in de wachtkamer. Wij wisten in de regel wel, wie er te lui waren om te werken, de simulanten! Die zagen we gewoon regelmatig en veel te vaak op het spreekuur. Met een korte vraag werd meestal, na een even kort antwoord, ongeveer de helft ervan terugverwezen met het dringende advies om aan het werk te gaan. Wij maakten daarna nog een selectie van dringende- of twijfelgevallen en dan bleven er meestal maar een stuk of zeven over voor de huisarts. Die kwam om een uur of 12 bij de gevangenis aan nadat zijn normale spreekuur aan huis was afgelopen.

Op een dag kwam de arts wat vroeger, terwijl de wachtkamer nog vol zat met zo’n 25 donker gekleurde mannen. Terwijl wij nog bezig waren om de simulanten ertussenuit te vissen, kwam de arts verbaasd binnenstappen met:
“Wat zullen we nou beleven, brand geweest vannacht?” Iedereen hield even de adem in en je zag aan de gezichten, dat niet iedereen deze opmerking kon waarderen….
Stuk voor stuk vielen ze door de mand. 18 personen waarbij geen serieuze klachten vastgesteld konden worden, werden aan het werk gezet en ja, dan bleven er 7 over die mogelijk behandeld moesten worden door de huisarts. Daar bleven dan meestal nog een of twee van over die naar een specialist verwezen werden. Dat kon toen voor een deel in het Hospitaal. Zo niet, dan werden ze afhankelijk van het vluchtgevaar van deze mannen, onder begeleiding van een GeWa, al dan niet met een stok in de broek naar een specialist in het ziekenhuis in Assen verwezen. Als ze opgenomen moesten worden, dan bleven ze daar of gingen ze naar het ziekenhuis in Scheveningen voor verdere verpleging.

Dwingende aanpak

Het doel van de bewakers was in die tijd steeds om de rust bij de gevangenen zoveel mogelijk te bewaren en te zorgen dat ze hun dagelijkse plichten vervulden. De manier van aanpak was nogal dwingend. Dat was niet altijd even menswaardig, want de gevangenen konden zich aanvankelijk niet verweren, als hen onrecht werd aangedaan. Het gevolg was dat lang niet iedere gedetineerde zich hierbij neerlegde en agressief reageerde. Vaak werd daar hard tegen opgetreden met extra celstraf in de beruchte isolatiecellen van de Rode Pannen. Deze aanpak lokte veel weerstand uit en leidde soms tot een opstand die zo snel mogelijk met harde hand en met medewerking van de Gestichtswacht (GeWa) de kop in werd gedrukt.
Ik was in de psychiatrische kliniek gewend om met angst dempende en rustgevende middelen om te gaan. Die konden we in zo’n geval goed gebruiken om iemand in bedwang te houden en tegen zichzelf te beschermen.
Ook voor degenen die zwaar depressief waren onder het strakke regime en met zelfmoord dreigden, hadden we middelen die de stemming verbeterden, want voor veel mensen was een aantal jaren Veenhuizen beslist geen pretje,” merkt hij op, pakt even zijn notitie blok erbij en zegt:

——-(Wordt vervolgd)——-