Geplaatst op Geef een reactie

De Medische Dienst van BajesDorp Veenhuizen (1960-1970) (Deel 2)

De Simulanten

Werken? Mij niet gezien!

We zagen en hoorden natuurlijk veel van wat er in en om de bajes gebeurde, als ze op het spreekuur kwamen, maar we hadden net als de bewakers, geheimhoudingsplicht. Dat gold  niet alleen op medisch gebied, maar we mochten ook niet vertellen welke misdaden de gevangenen hadden begaan en wat ze binnen en buiten de poort uitspookten. Dat bleef allemaal onder de pet.
Iedere gevangene was verplicht om dagelijks 8 uur te werken in de fabrieken, de werkplaatsen, de bossen of plantsoenen, maar daar had niet iedereen evenveel zin in.
Vooral onder Antillianen en Surinamers waren veel simulanten. “Werken? Maar dáár kwamen we toch niet voor naar Veenhuizen? We moeten jaren zitten, maar werken? Ho even! Mij niet gezien! Liever een weekje all in liggen in het Hospitaal.”
Logisch, want het gevangenisleven viel natuurlijk niet mee voor degenen die gewend waren om lekker te relaxen onder wuivende palmbomen.
Vaak zaten er ’s morgens zo’n 30 van die gasten in de wachtkamer. Wij wisten in de regel wel, wie er te lui waren om te werken, de simulanten! Die zagen we gewoon regelmatig en veel te vaak op het spreekuur. Met een korte vraag werd meestal, na een even kort antwoord, ongeveer de helft ervan terugverwezen met het dringende advies om aan het werk te gaan. Wij maakten daarna nog een selectie van dringende- of twijfelgevallen en dan bleven er meestal maar een stuk of zeven over voor de huisarts. Die kwam om een uur of 12 bij de gevangenis aan nadat zijn normale spreekuur aan huis was afgelopen.

Op een dag kwam de arts wat vroeger, terwijl de wachtkamer nog vol zat met zo’n 25 donker gekleurde mannen. Terwijl wij nog bezig waren om de simulanten ertussenuit te vissen, kwam de arts verbaasd binnenstappen met:
“Wat zullen we nou beleven, brand geweest vannacht?” Iedereen hield even de adem in en je zag aan de gezichten, dat niet iedereen deze opmerking kon waarderen….
Stuk voor stuk vielen ze door de mand. 18 personen waarbij geen serieuze klachten vastgesteld konden worden, werden aan het werk gezet en ja, dan bleven er 7 over die mogelijk behandeld moesten worden door de huisarts. Daar bleven dan meestal nog een of twee van over die naar een specialist verwezen werden. Dat kon toen voor een deel in het Hospitaal. Zo niet, dan werden ze afhankelijk van het vluchtgevaar van deze mannen, onder begeleiding van een GeWa, al dan niet met een stok in de broek naar een specialist in het ziekenhuis in Assen verwezen. Als ze opgenomen moesten worden, dan bleven ze daar of gingen ze naar het ziekenhuis in Scheveningen voor verdere verpleging.

Dwingende aanpak

Het doel van de bewakers was in die tijd steeds om de rust bij de gevangenen zoveel mogelijk te bewaren en te zorgen dat ze hun dagelijkse plichten vervulden. De manier van aanpak was nogal dwingend. Dat was niet altijd even menswaardig, want de gevangenen konden zich aanvankelijk niet verweren, als hen onrecht werd aangedaan. Het gevolg was dat lang niet iedere gedetineerde zich hierbij neerlegde en agressief reageerde. Vaak werd daar hard tegen opgetreden met extra celstraf in de beruchte isolatiecellen van de Rode Pannen. Deze aanpak lokte veel weerstand uit en leidde soms tot een opstand die zo snel mogelijk met harde hand en met medewerking van de Gestichtswacht (GeWa) de kop in werd gedrukt.
Ik was in de psychiatrische kliniek gewend om met angst dempende en rustgevende middelen om te gaan. Die konden we in zo’n geval goed gebruiken om iemand in bedwang te houden en tegen zichzelf te beschermen.
Ook voor degenen die zwaar depressief waren onder het strakke regime en met zelfmoord dreigden, hadden we middelen die de stemming verbeterden, want voor veel mensen was een aantal jaren Veenhuizen beslist geen pretje,” merkt hij op, pakt even zijn notitie blok erbij en zegt:

——-(Wordt vervolgd)——-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *