Geplaatst op Geef een reactie

Gevangenen met Trekschuit naar Veenhuizen

De Trekschuit bij Kolk in Assen voor vervoer gevangenen naar Veenhuizen
De Trekschuit bij de Kolk in Assen voor vervoer gevangenen naar Veenhuizen

Rust in Veenhuizen, totdat….

Het was rond 1880. Justitie had de gestichten een jaar of vijf geleden overgenomen van de Maatschappij van Weldadigheid. Een paard en wagen, de koets en de trekschuit waren in Veenhuizen de enige middelen van vervoer. Veel werk op het land werd door de gedetineerden met de hand gedaan. Bij het zware werk op de boerderijen werden ook paarden ingezet, zoals bij het ploegen en hooien. Opgepakte landlopers en gevangenen werden vervoerd vanaf de Kolk in Assen, waar ze per trekschuit door de kanalen naar Veenhuizen werden gebracht. De trekschuit werd getrokken door paarden of mankracht. De hogere ambtenaren, zoals de Landdirecteur, lieten zich per koets vervoeren. Voor de kinderen was er de Paardentram om ze van huis naar school te brengen en omgekeerd. De verpleegden (Stalmeesters) zorgden ervoor dat de paarden goed verzorgd werden. Er was nooit een wanklank. De rust was overal in het dorp voelbaar en werd alleen verstoord als een paard op hol sloeg of steigerde. Dat gebeurde vaker toen een nieuw fenomeen zijn intrede deed,

de Velocipede….

De koets, met op de achtergrond de trekschuit
De koets, met op de achtergrond de trekschuit

Het leek of de tijd stil had gestaan tot er in Veenhuizen een bijzonder vervoermiddel kwam. Het was de opvolger van de Draisienne, de Velocipede. Deze fiets (de voorloper van de 3-wieler) werd gemaakt door Burgers in Deventer en werd door de zoon van een ambtenaar voor het eerst in Veenhuizen bereden rond 1900. Het duurde toentertijd wat langer dan vandaag de dag voordat een uitvinding zijn intrede deed in het afgelegen Drenthe. De ”jongeling” bezorgde de voorlieden (meewerkend voorman van verpleegden) veel ongemak, wanneer ze met hun paarden en wagens op weg waren van het Eerste Gesticht naar het Tweede Gesticht. De jongen had er plezier in om de paarden, die niet aan de snelheid van de fiets gewend waren, bang te maken. De voorlieden riepen al van afstand, dat Velocipedehij voorzichtig moest zijn als hij zou passeren, maar daar trok de knaap zich niets van aan en zwenkte steeds vlak voor de paarden langs. Die begonnen dan te steigeren en werden met veel moeite in bedwang gehouden. Dit gedrag werd niet langer toegestaan en een van de „hoevenaers” meldde dit aan de Hoofddirecteur. Deze verbood het rijden op zich niet, maar als hij op zijn Velocipede een voorman passeerde, moest hij afstappen „om schichtigheid bij paarden te voorkomen” en wachten tot paard en wagen voorbij waren. Deze fiets was ook de voorloper van onze tweewieler, maar men wist toen nog niet wat voor een belangrijke rol deze later in ons leven en ook in Veenhuizen zou spelen. Toch heeft het nog tientallen jaren geduurd, eer de fiets gebruikt werd bij de bewaking. Deserteurs waren er nog nauwelijks, want in die tijd bestond de bevolking van de gestichten nog bijna geheel uit mannen die vastgelopen waren in de maatschappij, doordat ze zichzelf en hun gezin niet konden onderhouden. Dat waren de zwervers, bedelaars en alcoholisten, die zich deels vrijwillig lieten opnemen en voor een deel veroordeeld werden tot opname. Maar deze zogenaamde „verpleegden” hadden het redelijk naar de zin in het gesticht en vluchten was voor hen dus geen optie. Het duurde nog wel even voor de fiets voor iedereen bereikbaar was en gebruikt werd in Veenhuizen. Justitie nam dit vervoermiddel over en de dienstfiets kwam voor iedere ambtenaar beschikbaar. Deze was duidelijk herkenbaar met tussen de stangen een geel verbindingstuk. In de jaren 20 kwamen er al meer veroordeelde misdadigers naar Veenhuizen. Die werden veel strenger bewaakt dan de verpleegden en waren vluchtgevaarlijk. Een fiets was een kostbaar bezit. Die moest je niet onbewaakt naast je huis laten staan, want er werd ook toen al regelmatig een fiets gejat. „Zwijntjesjagerij” noemde men het in Veenhuizen. Het kostte soms heel wat moeite om de dader te vinden. En wat dacht je van je fiets? Die zag je net als de dader meestal nooit weer en vooral niet als dit een ontsnapte gevangene betrof. De snelheid die hij met een fiets kon ontwikkelen was natuurlijk veel groter dan wanneer hij ”de benen” nam…..

Rond 1900 en daarna veranderde het vervoer via de kanalen en werd het wegverkeer steeds intensiever. Dat bracht natuurlijk ook voor Veenhuizen een enorme verandering te weeg. Goederen en manschappen werden steeds sneller aan en af gevoerd. De trekschuit werd nog lang gebruikt voor het vervoer van turf, maar werd steeds meer motorisch aangedreven. De koets maakte plaats voor de auto. De Velocipede  werd (dienst)fiets en ook intern veranderde er veel in en om de 3 gestichten in Veenhuizen….

P.S. Heeft u een anekdote over een familielid of kennis die gewerkt of gezeten heeft in Veenhuizen? Neem dan contact met mij op via cjvdbrink@gmail.com of via een reactie op de website.

Geplaatst op

Veenhuizen Luilekkerland

De verpleegden die de gestichten jarenlang bevolkt hebben, hadden het in het algemeen uitstekend naar de zin. Menigeen vond Veenhuizen zelfs een Luilekkerland. Het waren de landlopers, zwervers en bedelaars die hier een dak boven hun hoofd hadden, genoeg te eten kregen en geld verdienden tijdens hun detentie. Sinds de laatste twee verpleegden (foto) uit Veenhuizen vertrokken waren, veranderde de samenstelling van de populatie in de gestichten geregeld…

Zelfs onder de gastarbeiders, die ons land na de oorlog binnenkwamen, rijpte langzamerhand het besef, dat niet alleen Nederland, maar ook Veenhuizen een Luilekkerland was. Daar kon zelfs iemand die in de gevangenis zat, geld overhouden voor de familie in zijn geboorteland. Zo kwamen er in de jaren 60 en daarna ook gedetineerden uit alle delen van de wereld. In de jaren 90 heeft men de verschillende nationaliteiten geteld die in Veenhuizen hun straf uitzaten. Het waren er 77!!

Het was geen wonder dat de ambtenaren regelmatig in een spagaat lagen als er gecommuniceerd moest worden met al deze vreemdelingen.

Zonder te generaliseren mogen we wel zeggen, dat die buitenlanders het hier over het algemeen goed naar de zin hadden. Dat mag blijken uit een gedicht uit de zestiger jaren van een gedetineerde Turkse gastarbeider.

Hij moet hier, gezien zijn taalgebruik, vrij lang geweest zijn. Het gedicht is authentiek en een kopie is hierbij afgedrukt. “Alie” zou hulp gehad kunnen hebben van een vriend, die goed Nederlands sprak. De originaliteit van “Alie” kan ik niet helemaal garanderen.

Het gedicht toont wel aan, hoe eenvoudig het was om in de bajes de familie in het buitenland te verwennen. Sterker nog: je kon in de bak ook nog voor een gezonde bankrekening zorgen als je vrij kwam en naar het geboorteland terugging.

Dit is het fraaie gedicht, dat gedetineerde „Alie” schreef aan zijn vrouw Sulaika:

 

Brief van Turkse “Gastarbeider” aan zijn vrouw

 

gedicht1Salaan Sulaika lieve vrouw,

ik niet meer werken in de bouw.

Hier veel collega’s zak gekregen,

geen geld meer zijn voor bouw en wegen.

Jij niet denken , „Oh wat erg”

en tegen op zien als een berg.

Allah mij niet heeft verlaten,

ik zijn met GAK gaan praten.

Zij zeggen, „Jij vakantie houwen”,

ik nu geld krijgen zonder bouwen.

Hier zijn echt luilekkerland,

ik geld verdienen dus niks aan de hand.

Hier zijn werkelijk niks loos,

alleen driehonderdduizend werkeloos.

Het arbeidsbureau mij nu verblijden,

dat zegt; „Jij moet je baas vermijden”.

Dan brengt elke week de PTT,

je centje mee uit de WW.

gedicht2Ik daarom kijken altijd stug

en zegge, : „Ikke pijn in rug

Nu vrij van baas, niks te verduren,

ik jou Sulaika geld blijf sturen.

Mijn rekening op bank blijft groeien,

terwijl ik met kaarten mij vermoeien,

geld dus voorlopig niet minderen,

je krijgt hier heel veel geld voor kinderen.

Vertel Sulaika, ’t kan mij niet bomme,

zijn er nog kinderen bijgekomme?

Die ik niet ken, schrijf het mij maar

hoe groot id nu de kinderschaar?

Geeft niks hoor al zijn het er dertig,

jij maken de papieren fertig.

En sturen ze met formulier

door arts getekend snel naar hier.

dan ijj niet willen geloven

de kinderbijslag vliegt naar boven

Anderen hebben het geprobeerd,

er wordt nooit gecontroleerd

Dan gaat ik door Den Haag,

mijn belasting snel een stuk omlaag

Ik weten nu waar geld hier zit,

ga straks naar tandarts voor een nieuw gebit

en ook als Allah hoort mijn wil,

volgende week een nieuwe bril.

Breng er voor jou eentje mee

wordt toch betaald, ik heb WW.

Oma kom ook naar Nederlanden,

Jij krijgen dan ook nieuwe tanden.

Jij brengen maar meer oudjes mee,

die krijgen allemaal AOW.

Oh, Holland, mooiste land der welt,

niks werken, maar wel stempelgeld.

Ik woon in mooi huis , erg tevree,

met gas en licht en doortrekplee.

Kost ons wekelijks een paar knaken,

maar dat betaald sociale zaken.

Jij hebben ons huis opgeknapt,

van geld dat ik heb bijgelapt.

Hou eenzaam nog een jaartje uit

dan kom ik thuis met grote buit.

Ik dan weer lekker bij jou zijn thuis,

en ga dan bouwen heel groot huis.

dat wij dan samen met de buren,

aan Hollandse toeristen gaan verhuren.

Nu maak ik einde aan dit schrijven,

ik nog een jaar in Holland blijven.

En meedoen aan de potvertere,

daarna iedereen krijgt de klere.

Jij groeten aan familei geven,

en zegge Alie heeft geschreven,

Uit Holland mooiste land der welt,

waar je met niks doen krijgt veel geld.

Jou Alie barst straks van de centen,

hij komt naar huis en krijgt veel rente.

Dan geven feest met grote knal,

en zingen; `HOLLAND bovenal”

 

Groeten Alie

(Uit de collectie van Jan Sanders)

 

Het moge duidelijk zijn dat niet iedere gedetineerde er zo over dacht. Er werd onder de gevangenen wel degelijk geklaagd over het gevangenisregime en de harde omstandigheden waarin men leefde.

Voor de meesten gold, dat het geld dat men verdiende bij lange na niet voldoende was om de familie hier te onderhouden. Maar toch, voor de familie in het buitenland was het een vermogen….

(Foto:  Collectie Nationaal Gevangenismuseum Veenhuizen)

Geplaatst op

Met po, hup de kooi in

Slaapkooien Gevangenisveenhuizen.nl

De gevangenen stonden iedere dag om 6.00 uur op. Na een dag van hard werken en een sobere, doch voedzame maaltijd was het al snel bedtijd. Om 20.30 uur was het tijd om de slaapkooi in te gaan. Thijmen, mijn vader, moest de gevangenen binnen de poorten bewaken en zorgen dat ze s’avonds werden opgesloten in hun slaapkooien.

gevangmuseum-19-slaapkooiDie kooien waren kleine stalen trommels met gaten erin, ook wel alkoven genoemd. Daarin hingen hangmatten. De slaapkooien stonden mannetje aan mannetje tegen elkaar aan in een grote slaapzaal. Daarin kon je amper ‘je kont keren’, zoals Pa zei, laat staan dat er enige vorm van privacy was voor de mannen. Het was een hele operatie onder leiding van de zaalopzieners wanneer iedereen s’avonds in die kleine kooi moest. Deur open, gevangene met po, hup de kooi in, deur op slot en in de hangmat.

Het duurde meestal nog wel even, voordat de zaal in diepe rust was. Je kon niet naar het toilet, maar je had wel een po. Die moest s’morgens geleegd en schoongemaakt worden. Voor de grotere behoefte moest je naar de gemeenschappelijke plee, waarna je weer werd ingesloten. Er was onder de gevangenen veel weerstand tegen de slaapkooien. In die benarde positie hadden ze geen enkele privacy. Het gebeurde dan ook regelmatig, dat een gevangene hiertegen in opstand kwam.

De kamerwachten waren ook gedetineerden en zij hoefden niet in een stalen kooi te slapen. Ze waren door de leiding in vertrouwen genomen en moesten erop toezien, dat iedereen op tijd in zijn kooi kwam, dat er orde was en dat iedereen daar bleef tot de volgende morgen. In geval van nood, drukte de kamerwacht op een knopje en werd de dienstdoende bewaker gealarmeerd. Toch was dit soms niet afdoende. Het gebeurde dat een van de gevangenen s’nachts alarm sloeg in zijn kooi. Hij kreeg geen gehoor, omdat de kamerwacht in slaap was gevallen en niet wakker te krijgen was ondanks het geschreeuw van zijn lotgenoten. De om hulp roepende gevangene stak toen zijn strozak in brand. De enorme rookvorming die het gevolg was, leidde tot grote paniek en was de oorzaak dat meerdere gevangenen op de zaal het bewustzijn verloren. Het duurde nogal even voor alle kooien ontsloten waren en iedereen frisse lucht kon inademen. Gelukkig is er verder geen brand uitgebroken en heeft niemand ernstig letsel opgelopen. Maar dat had ook anders af kunnen lopen.

brandstichting gevangenis veenhuizenHet was niet de eerste keer dat iemand zijn strozak in brand stak. Er werd regelmatig sabotage gepleegd door gevangenen van de Brandploeg. Daar werd je in geplaatst, als je al eerder een ernstig delict had gepleegd binnen de muren van Veenhuizen. Het krantenartikel van hiernaast uit de Drentse  en Asser Courant (1934?) geeft een geval van moedwillige brandstichting weer van een gedetineerde uit de Brandploeg. Het betrof hier een onberekenbare, gevaarlijke crimineel. De officier wilde paal en perk stellen aan dit soort brandstichtingen en eiste vijf jaar gevangenisstraf, omdat dit niet de eerste keer was, dat de man brand had gesticht in Veenhuizen.

Dat kamerwachten veel vrijheid genoten en dat daardoor soms misbruik van vertrouwen werd gemaakt, laat zich raden. Het gebeurde zelfs dat een kooi met medeweten van de kamerwacht onklaar werd gemaakt en de gevangene hierdoor kon ontsnappen, zonder dat iemand het gemerkt had. De kamerwachten werden daarna uiteraard strenger aangepakt.

Die kooien waren eigenlijk mensonterend. Ondanks veel beloften van Justitie, bleef dit systeem nog lang in stand. Regelmatig verscheen er een krantenartikel over deze middeleeuwse toestanden en werden vragen gesteld in de Tweede Kamer. Ook al waren alle instanties het er mee eens dat deze stalen trommels zouden moeten verdwijnen, de slaapkooien zouden nog tot na 1960 dienst blijven doen.  De hoofddirectie van Veenhuizen heeft deze misstanden vaak aangekaart bij Justitie in Den Haag. Daar was men het er helemaal mee eens, dat er iets moest gebeuren, maar het budget hiervoor werd door de bezuinigingen net zo snel weer uit de begroting gehaald.

Foto’s: Gevangenismuseum, Drents Archief, Drentse en Asser Courant