Geplaatst op Geef een reactie

Verstopt bij Bewaker en….Ontsnapt!

Hoe eenvoudig het soms was om uit Veenhuizen te ontsnappen, getuigt het verhaal van gevangene R. die zijn straf uitzat in het Tweede Gesticht (nu Esserheem).
Hij had een relatie met de dochter van een bewaker (werkmeester). Haar ouders woonden recht tegenover de gevangenis. Zij woonde buiten Veenhuizen en paste wel eens op het ouderlijk huis als haar ouders een paar dagen weg waren.
R. deed af en toe werkzaamheden in hun tuin en de vlam sloeg over, toen hij van de dochter een paar keer koffie kreeg aangeboden in het schuurtje. Zij werd smoorverliefd op de tuinman. Dat was streng verboden maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Ze hielden hun relatie uiteraard geheim en niemand had het door (?), dat R. af en toe bij haar binnen kwam, als haar ouders niet thuis waren.
Veel momenten om samen te zijn waren er niet voor die twee, want het leven van een gevangene was van het begin tot het eind geprogrammeerd.
Op een dag in oktober was de bewaker weer een paar dagen met zijn vrouw naar familie en de dochter paste zo lang op het huis.
Dit was natuurlijk een buitenkansje. Zoals gezegd, het huis van de bewaker lag recht tegenover het Tweede Gesticht op nog geen 80 meter afstand. Tegen de avond meldden de bewakers dat ze R. kwijt waren. De wachtposten werden uitgezet, de omgeving werd uitgekamd door de gestichtswacht, maar er was geen spoor van de vluchteling te vinden, ook niet in de tweede ring om Veenhuizen.
De zoekactie werd na een aantal uren gestaakt, terwijl de bewaking zich afvroeg, hoe het mogelijk was dat de tuinman aan hun aandacht ontsnapt was.
Hij was dichter bij dan men dacht…
Tegen het eind van de werkdag was hij nl. bij zijn geliefde in het huis van haar ouders ondergedoken, totdat de kust veilig was en niemand meer naar hem op zoek was.
De dag erop hadden de Gestichtswachters het zoeken naar hem opgegeven.
Toen het avond werd en het redelijk donker was, kwam R. samen met de dochter van de bewaker uit zijn schuilplaats. Hij had wat oude kleding aan van haar vader en met een lange zwarte dienstjas aan en een zwarte dienstpet op, leek hij precies op een bewaker in functie. Niemand lette op het stel.
Samen liepen ze naar de bushalte, waar zij hem op de bus zette naar Assen.
Nog had niemand iets door, niemand verwachtte hem daar.
R. was verdwenen in het niets….
Maar…. na een paar dagen kwam de geruchtenmachine op gang, want een enkeling vermoedde iets. Langzamerhand werd er verband gelegd tussen de vlucht en de relatie.
Iemand had de dochter van de bewaker bij de bushalte gezien met een voor haar onbekende bewaker, maar zij had toen nog niet door wat er aan de hand was.
Met dit gegeven kon men daarna gemakkelijk reconstrueren hoe alles verlopen was, maar het was te laat. De vogel was gevlogen en kwam niet terug, evenals de lange dienstjas. Veenhuizen kon naar hem fluiten, evenals de dochter van de bewaker…..

Geplaatst op Geef een reactie

“Bajesverhalen Veenhuizen” met nieuwe cover

“Bajesverhalen Veenhuizen” en “De Geheimen van BajesDorp” Veenhuizen 1818-2018 zijn inmiddels door duizenden belangstellenden gelezen en bijna dagelijks komen er positieve recensies binnen over beide boeken.
“Veenhuizen van onder de Pet” kwam mei 2020 uit met een treffende cover van Dimitri Jansma van studio Paraat en ook daarvan stromen de leuke recensies nu al binnen. Twee jaar ervoor had hij al een indrukwekkende tekening van een ‘Pauper’ gemaakt voor “De Geheimen van BajesDorp”.
“Bajesverhalen Veenhuizen” had daarmee een afwijkende voorkant en daarom had ik het idee om die van “Bajesverhalen Veenhuizen” in lijn te brengen met die van de beide andere.
Dus ik vertelde een van de sterkste verhalen uit het boek aan Dimitri, die een paar dagen later met een geweldige karikatuur kwam. Wat ik hem verteld had, had hij omgezet in eenr illustratie die precies aangeeft, wat er op die gedenkwaardige dag gebeurde tijdens de “Kaping van de Boevenbus”.

Dimitri, hierbij alle eer die jou toekomt!!

Alle drie de boeken zijn verkrijgbaar á €19,99 per stuk. Hier op bajesverhalen.nl/shop. Wees er snel bij!!! Tot 15 juni zonder verzendkosten!!!!!

Geplaatst op Geef een reactie

‘Uiltje’, de Kruiwagen en Nikkel

Als 5-jarige jongen herinner ik me een paar gevangenen in Veenhuizen die onder leiding van een werkmeester in de bakkerij tegenover onze woning aan de Oude Gracht (nu Gevangenismuseum) werkten. Ik kwam er vaak even en het vers gebakken broodje dat ik kreeg zal ik nooit vergeten.

Het waren over het algemeen arme werkeloze sloebers, die veroordeeld waren voor kleine vergrijpen zoals zwervers, bedelaars, alcoholisten die aan lager wal waren geraakt en daardoor in Veenhuizen terecht waren gekomen. Ze werden voor het minste geringste, (zelfs voor het stelen van één cent ) opgepakt en kregen van de rechter zo maar drie jaar Veenhuizen opgelegd.
Ze werden daar zogenaamd ‘verpleegd’ en daarom ‘verpleegden’ genoemd.
‘Werk en Bid’ (het is toch ‘Bid en Werk’?) staat op een van de woningen daar en dat was ook waarmee ze van hun ‘luiheid’ en alcoholprobleem verlost zouden worden. Daar leerden ze een vak, werden ze een ‘beter mens’ en konden weer op eigen benen staan. Maar dat lukte lang niet bij iedereen. Het idee was natuurlijk geweldig, maar de praktijk was vaak anders…..
Het gebeurde regelmatig dat, als een gevangene “Groot Verlof” had gekregen en zichzelf moest redden, hij tegen de winter opzettelijk weer in de fout ging en aanklopte bij de poorten van Veenhuizen om weer naar binnen te mogen.
Zo ging dat ook met een van de meest opmerkelijke verpleegden: Leen den Uyl, die niet alleen door mij “Uiltje” werd genoemd. Het was een gedrongen mannetje met een typische spitse neus met daaronder een snorretje en hij had grote priemende ogen, als van een uilenkop. Hij was de zoon van een rijke boer in Zeeland. Niet onbemiddeld zou je denken, maar Uiltje was het zwarte schaap van de familie. Hij was tussen wal en schip geraakt en moest bedelen om zich in leven te houden, want zijn familie had hem verstoten. Een vak had hij niet geleerd en hij had geen thuis meer.
Het was op een bepaald moment zo erg met hem gesteld, dat hij vanwege bedelarij werd opgepakt en naar Veenhuizen gebracht.
Daar kreeg hij werk, genoeg te eten en onderdak. Hij was een gelukkig mens en voelde zich helemaal thuis tussen zijn soortgenoten.
Ik zag hem aan de overkant van de gracht de hele dag sjouwen achter zijn kruiwagen.
Willem Kroes, die tien jaar ouder was dan ik, kwam hem jaren later als GeWa geregeld tegen en vroeg vaak aan hem: “Hey, jij alweer hier, Uiltje? Gaat het goed met je?” 
Waarop Uiltje antwoordde: “Geweldig meneer, elke week een pakje Nikkel pruimtabak van 5 cent en elke week een verschoning, ik heb niks te klagen.” Als je hem vroeg, hoe hij in Veenhuizen gekomen was, wees hij op zijn keel en zei: “Kijk meneer, hier is een hele boerderij doorheen gegaan.”
Niemand had het lef om aan zijn kruiwagen te komen. Die stond bij de bakkerij op het Tweede Gesticht. Hij was de baas en bracht daar dagelijks turf om de ovens heet te houden.
Elke keer als hij verlof had, lag de kruiwagen aan de ketting.
 Het werd voorjaar en Uiltje’s tijd zat er weer op. De kruiwagen ging aan de ketting en hij mocht naar huis. Maar waar moest hij heen? Hij had kind noch kraai en zijn familie zat ook niet op hem te wachten. Dus hij zwierf dan een paar dagen doelloos heen en weer tot het geld dat hij bij de bakkerij verdiend had op was en prompt meldde hij zich weer bij de poort van de gevangenis. “Pak me maar weer op meneer, ik wil er weer in,” zei Uiltje.

Zwarte Mulder, Majoor bij de GeWa, had een beetje medelijden met Uiltje, maar kon geen gehoor geven aan zijn verzoek. ”Ik kan je zo niet binnen laten,” zei hij.
”Je hebt geen overtreding begaan of een misdaad gepleegd. Dus kun je niet opgenomen worden, maar weet je wat? Ik moet naar Assen, ga maar mee naar de politie, dan proberen we het daar.”
Ze kwamen samen op het politiebureau, maar de dienstdoende agent had weinig oog voor Uiltjes probleem. Hij reageerde hierop met: “Er zijn nogal wat regels voor opname in Veenhuizen. U komt zo maar niet meer de gevangenis in, maar heeft u ook geld?” “Ja,” zei Uiltje trots, in de hoop dat hij zich hiermee zou kunnen inkopen in Veenhuizen: “Ik heb zeker wel honderd gulden, meneer.” Dat was best veel geld voor die tijd, maar de agent reageerde negatief: “Nou, dan kunnen we u niet oppakken, want alleen mensen zonder geld kunnen we binnen laten.”
Uiltje reageerde geschokt op dit voor hem onverwachte antwoord: “Maar wat moet ik dan doen om weer de gevangenis in te mogen?
 Moet ik dan eerst een ruit ingooien hier op het politiebureau?” vroeg Uiltje. “Ga eerst maar eens een paar keer naar de hoeren met je honderd gulden en als je niks meer hebt, kunnen we zien wat we doen,” was het antwoord van de politieagent. “Dat is vies meneer”, zei Uiltje.
Hoe hij het daarna toch steeds klaarspeelde, wist niemand. Maar Uiltje kwam ook deze keer terug in zijn geliefde Veenhuizen en de kruiwagen voor de turf ging weer van de ketting………