Geplaatst op 3 Reacties

Trilogie Veenhuizen in “Kunst-stukjes”

Door Jurjen K. Van der Hoek (Journalist voor o.a. NDC media) in “Kunst-stukjes” 24 maart 2020.

https://jurjenkvanderhoek.tumblr.com/

“De Geheimen van BajesDorp”

The middle of nowhere, of in goed Nederlands een of ander godvergeten gat. Het bestond al langer, zelfs van voor de middeleeuwen, maar in het begin van de 19e eeuw werd het echt op de kaart gezet. Veenhuizen. Een landstreek in het veen tussen het Friese Oosterwolde en het Drentse Assen, waar zich ooit al eens enkele boeren hadden gevestigd in de hoop er goede grond te vinden. De filantroop Generaal Johannes van de Bosch zag er een geschikte plek in om er zijn liefdadigheid te botvieren. Hij stichtte er in 1818 een zogenoemde kolonie om mensen die langs de rand van de maatschappij stonden, zoals landlopers en bedelaars, er een onderkomen te bieden. Om ze een volwaardig leven te geven kregen ze zorg en gingen werken op het land. Grond die rondom de huizen in het veen ontgonnen moest worden, om goede grond te worden.
Eerst waren het die “nietsnutten” die nut kregen in Veenhuizen. Later, toen de armoede meer naar de achtergrond gedrongen werd, kreeg het dorp een bijzondere plek op de kaart van Nederland. Het werd een bajesdorp, een plek waar mensen met een criminele inborst voor korte of lange duur gedwongen onderdak vonden. Veenhuizen staat ook nu nog te boek als gevangenisdorp. Hoewel vandaag de dag het complex voor een groot deel als museum is ingericht om de unieke plek die Veenhuizen in de geschiedenis inneemt ook in de toekomst te bewaren, want Veenhuizen boeit. Nog altijd.

Dat heeft Clemens van den Brink ook gedacht toen hij aan zijn trilogie over Veenhuizen als bajesdorp begon: de verhalen moeten bewaard blijven en dus opgetekend worden voordat de mensen die er werkten en leefden er niet meer zijn. Een bijzonder stukje historie in de vaderlandse geschiedenis. Van den Brink opent deuren die voor mij gesloten blijven. Althans voor zolang ik niet dronken achter het stuur ga zitten of in de nacht met breekijzer en zaklamp op pad ga. Want nog altijd is een deel van Veenhuizen een goede plek voor de mensen die straf verdienen.
Voor zijn laagdrempelige geschiedschrijving heeft Van den Brink gesprekken met bewaarders en bewaarden. Veenhuizen was een gesloten boek, met zware kettingen eraan en hangsloten waarvan weinigen een sleutel hadden. Wat achter gesloten deuren in Veenhuizen gebeurde moest daar blijven. Er werd niet over gesproken. Maar Bankenbosch, Esserheem en Norgerhaven waren en zijn een open gevangenis, dat wil zeggen dat gevangenen werk deden buiten de muren, op het land rondom het dorp of in de tuinen van gevangenispersoneel. Eerder deden de arme sloebers van de kolonie dat, min of meer als straf of stichtelijke opvoeding.

Maar wanneer dan bewaarders met pensioen waren gegaan mochten ze een boekje open doen. Van den Brink nam die verhalen op in zijn boeken, drie in totaal – tot nu toe, want er is zoveel te vertellen over Veenhuizen. Daarmee geeft hij inzicht in het reilen en zeilen van deze gevangenis, verhalen om met rode oortjes te lezen. Grappige momenten, sappige ogenblikken en zware tijden, treurige dagen. Vooral worden pogingen van gevangenen om uit te breken, het vrije leven tegemoet, beschreven. De delinquenten bleken erg creatief in het laten verdwijnen van zichzelf om in geen velden of wegen rondom meer op te duiken. Maar meestal was het een onbegonnen actie, want wat of wie in Veenhuizen is zal in Veenhuizen blijven.
Het is een tip van de sluier die Van den Brink oplicht. Een spannende avonturenroman. Ik hang aan zijn lippen en zit op het puntje van mijn stoel, daarom. Grote namen als de ontvoerders van Heineken, de meesterkraker Aage M. en de aan lager wal geraakte bokser Henk L. nemen noodgedwongen een kijkje in het noorden van Drenthe. Artiesten die te diep in het glaasje keken. Maar ook onbekende personen die even de weg kwijt zijn en opnieuw op de rails gezet moeten worden.
Naast deze verhalen vanachter de gevangenismuren schrijft Clemens van den Brink gedetailleerd over de historie van Veenhuizen. Hoe het is ontstaan, hoe het zich ontwikkelt door de jaren heen en hoe het er nu voorstaat met het dorp. Een interessante geschiedschrijving van een bijzonder dorp. Want het neemt – nog altijd – een unieke plaats in, dat dorp in Drenthe. Sowieso is de provincie al een buitenbeen in Nederland. Voorheen de armste landstreek met uitgestrekte heidevelden en donkere bossen. Een plek om te pionieren, te ontdekken, als zendingsgebied. Vincent van Gogh trok ooit de provincie in omdat het leven daar goedkoper zou zijn. Hij verbleef er relatief kort, maar het maakte een onuitwisbare indruk op de schilder. Het landleven inspireerde hem tot het maken van tal van schilderijen en tekeningen. Zo verbleven de meeste delinquenten ook maar kort in Veenhuizen, maar het zal indruk op hen hebben gemaakt. Veenhuizen is en was niet zomaar een gevangenis, een plek waar de deur dicht en op slot ging. Het open karakter gaf hen stof tot nadenken en lucht om te ademen.

Clemens van den Brink laat zijn verhalen in eerste instantie afdrukken in de plaatselijke courant van zijn woonplaats Oosterwolde, maar bundelt de losse artikelen later tot een boek. Een geschiedenis, aangevuld met verhalen van direct betrokkenen. Dat levert nieuwe verhalen op, bajesverhalen. In 2018 bestond wat voorheen een kolonie van de Maatschappij tot Weldadigheid was, 200 jaar. Aanleiding om een boek te schrijven waarin die twee eeuwen gedetailleerd worden uitgetekend. Zo ontstaat een derde deel, is er een trilogie. Een boeiende reeks boeken over bajesdorp Veenhuizen. In woord en beeld een prachtige uitbreiding van de documenten in het gevangenismuseum waar verhalen worden vertelt over verpaupering, misdaad en straf. De omslagen van de boeken sieren de karakteristiek van het gevangeniswezen door Dimitri Jansma in beeld gebracht. In de boeken zijn zwartwit foto’s afgedrukt uit de oude doos en nieuwe opnamen van de auteur zelf. Het is een smaakvolle trilogie voor wie inzage wil in het gesloten Veenhuizen. En een waardevolle herinnering voor hen die er ooit noodgedwongen verbleven.

Trilogie “Bajesverhalen Veenhuizen”, “Veenhuizen van onder de pet” en “De geheimen van bajesdorp Veenhuizen, 1818 – 2018”. Auteur Clemens van den Brink. Uitgave in eigen beheer, 2020.
Boeken te bestellen: https://www.bajesverhalen.nl/shop/?fbclid=IwAR2E5OukoGJPcakMblJiaPcJ6EQnKbSBh9YK070Mf3Apgtf2sFLu9mIv-18

Zie ook: bajesverhalen.nl

Geplaatst op 3 Reacties

Koko Ptalo Zigeunerkoning

In Veenhuizen zaten in de jaren ’50-’70 van de vorige eeuw gevangenen voor de meest uiteenlopende delicten en uit alle lagen van de bevolking, zoals ook mannen uit de woonwagenkampen.
De zigeunerfamilies waren onderling meestal erg close. Ze bekommerden zich om elkaar, deelden lief en leed en vierden gezamenlijk feest als er aanleiding voor was.
Zo zat de bekende Zigeunerkoning Koko Petalo vier jaar vast in Veenhuizen wegens o.a. fraude. 
Zijn familie zat in 1944 een tijd in Kamp Westerbork, vanwaar ze zou worden afgevoerd naar de vernietigingskampen in Duitsland.
De familie werd echter vrijgelaten, omdat de Duitsers dachten dat die oorspronkelijk uit Guatemala kwam en niets te maken had met Roma.
Ptalo werd op zijn 20e al Zigeunerhoofdman. Het was een man met een enorm overgewicht en overwicht. De bewaking in Veenhuizen had veel ontzag voor hem. Vaak was hij onhandelbaar en tegendraads.
Iedereen danste naar zijn pijpen en hij kreeg alles gedaan van zijn soortgenoten.
Berend, één van zijn toenmalige bewakers herinnert hem nog als de dag van gisteren en vertelt:
“Wat een lastpost was dat. Hij maakte bij ons beslist geen vrienden. Ik kan me nog goed herinneren dat hij bij ons kwam. Op de eerste dag was het al mis. Iedereen moest geïnspecteerd worden op luizen en zich daarvoor volledig uitkleden.
Maar Koko dacht dat daar anders over. Hij voelde zich boven de wet verheven en verweerde zich krachtig:
“Ik Koko Ptalo! Koning van de Zigeuners uit de kleren? Dacht het niet, hè! Wat denken jullie wel wie ik ben!”
En wat wij ook probeerden, hij vertikte het om naakt voor ons te verschijnen.
Nou had een collega van me iets gehoord over Koko dat wij nog niet wisten.
Hij kwam een stap dichterbij en zei tegen hem:
“Nou moet je eens goed luisteren Ptalo. Je gaat nu uit de kleren!” En met duim en wijsvinger naar hem toe: “En zo niet, dan vertellen we aan iedereen, dat jij met je grote lijf maar zo’n klein piemeltje hebt!”
Als ogen konden doden, zo veranderde de blik van Ptalo in één oogopslag, maar hij ging.
Hij verdween in het kleedkamertje en kwam piemelnaakt tevoorschijn, maar zijn ogen spoten vuur, zo kwaad was hij, dat iemand hem als Opperhoofd van de Zigeuners hem zo kon vernederen. Daar hadden wij geen moeite mee, want hij had erom gevraagd.
Zo moesten we iedereen ervan overtuigen, dat het noodzakelijk was in verband met de hygiëne in de gevangenis. Iedereen moest zich uitkleden en werd op luizen gecontroleerd met een lampje. Liepen er geen luizen, dan ging hij naar het Hospitaal om behandeld te woorden. Zo niet dan werd iedereen naar het badhok geleid en kreeg hij gepaste gevangeniskleding waaraan je kon zien in welke categorie misdaad hij was ingedeeld.
Ptalo bleef zich opstandig gedragen in de gevangenis. Geregeld liep dit zo uit de hand dat de directeur erbij moest komen om hem tot bedaren te krijgen.
Maar ook buiten de gevangenis had Ptalo nog steeds een grote aanhang. Het was alsof heel het Zigeunervolk met hem meeleefde. Zo waren de Zigeuners onderling ook. Als iemand van hen ziek was, leefden ze allemaal mee.
Zo ook toen Petalo in het Asser Wilhelminaziekenhuis opgenomen moest worden.
De hele parkeerplaats stond vol met woonwagens en de weg ernaar toe was totaal geblokkeerd. Er kon geen auto meer langs. De politie had de handen vol om de zaak te ontzetten.
Koko Petalo is niet oud geworden. Hij stierf op zijn 53e aan een hartinfarct in het VU ziekenhuis in Amsterdam en kreeg daarna een Koninklijke begrafenis…

Geplaatst op 1 Reactie

De Medische Dienst van BajesDorp Veenhuizen (1960-1970) Deel 5

Drankje voor de nacht

We hadden een paar wilde hanen op het terrein van de gevangenis. Je zou zeggen: “Wilde hanen, bestaan die dan? Leefden ze gewoon in de natuur net als hazen en konijnen?”
Enorme beesten waren dat. Zo zag je ze normaal niet in een kippenhok. Die liepen daar maar dag en nacht wat rondom de gevangenis en hadden volgens mij geen eigenaar. Elke morgen kregen ze van ons een stuk brood. Dan werden ze helemaal gek! Ze vlogen dan bij ons hoog tegen de kozijnen en ramen op. Het was een angstig gezicht, hoe agressief ze tegen de ruiten pikten om onze aandacht te trekken. Die lustten wel wat!
We wisten bij de medische dienst wat het effect van Melisana op agressieve gevangenen was en wilden dat wel eens op die hanen uitproberen. We dachten dat die ook wel wat rustiger zouden worden….
We deden 20 cc Melisana op een stuk brood. Dat slokten ze in no-time naar binnen. Je had het moeten zien. Ze vochten elkaar de tent uit en even later sprongen ze weer tegen de ramen met dit verschil, dat ze de vensterbank niet haalden. Ze donderden er steeds weer van af en na een half uur lagen ze plat en vredig in het gras hun roes uit te slapen.
Ach, het was een geintje en de hanen sprongen de volgende dag weer vrolijk op de kozijnen in plaats van ernaast.

Tijgers in het kamp…..?

Met de jaren kwamen er ook steeds meer drugs de gevangenis binnen. Vraag me niet hoe, maar het probleem werd steeds groter. We hadden het best moeilijk met de drugsverslaafden.
Wij probeerden ze af te laten kicken. Daarvoor hadden we o.a. methadon. Die gevangenen konden agressief worden en ook bij hen gebruikten we wel zwaar kalmerende middelen, zoals Haldol als het nodig was. Later werden daar de psycholoog en de psychiater bij ingeschakeld en werd o.a. gesprekstherapie toegepast.
Ter illustratie even een waargebeurd voorval ertussendoor: de tandarts had op een bepaald moment een wanhopig depressieve gevangene van D. in zijn stoel. Hij had al een aantal zelfmoordpogingen gedaan en kwam daar voor het trekken van een kies. Hij had de mouw van zijn arm opgetrokken en daar zag de tandarts een paar lelijke lange lidtekens over de onderkant van zijn arm.
Hij dacht een opbeurende opmerking te plaatsen en zei: “Wat nou, meneer van D., tijgers in het kamp?”
Van D. kon de grap wel waarderen, maar dat veranderde natuurlijk niets aan zijn ziektebeeld.
Wij behandelden zo’n patiënt altijd mensgericht en eventueel met medicijnen. Zo ook met van D. De man kreeg aandacht van ons, zijn stemming verbeterde en werd beter handelbaar voor de bewaking.

Menswaardiger aanpak

We benaderden zo iemand vaak met: “We kunnen je hier niet weghalen, maar als je met ons samenwerkt dan kunnen we veel voor je doen en kom je goed door je straftijd heen.”
Men kwam bij Justitie tot het besef, dat met zo’n menswaardige aanpak betere resultaten in de gevangenis werden bereikt met minder onrust en andere problemen.
Als er dan toch iemand door het lint ging en agressief werd, kwam onze hulp goed van pas.
‘Bejegenen’ werd een gevleugeld woord en onze medische dienst werd uitgebreid met een psycholoog en een psychiater. Het motiveren, stimuleren van gevangenen werd toen de nieuwe aanpak, waarbij de meeste gevangenen beter in hun vel zaten
Mede hierdoor werden de gevangenen beter voorbereid om na het uitzitten van hun straf het normale leven weer op te pakken. Het werd er ook een stuk rustiger van op de afdelingen binnen de gevangenis……..

Tot zover voorlopig de verhalen over de medische dienst uit de jaren ’70-’80-’90 vanuit de gevangenis van Veenhuizen. Hopelijk gaf het je een indruk van wat wij daar als hulpverleners meemaakten, de problemen waarmee we te maken kregen en hoe wij hiermee omgingen.
Het was een mooie tijd. We hebben veel leed gezien, maar samen ook veel gelachen………..