Geplaatst op Geef een reactie

Amsterdammer botst in Drentse Bajes

Toen ik pas bij Justitie kwam, moest ik geweldig wennen aan het taalgebruik van Amsterdammers in de bajes.
Ik vond dat ik met mijn Drents accent een aardig woordje Nederlands sprak, maar ik werd daarmee regelmatig onderuit gehaald.
Het voelde in het begin als een belediging. Ik pikte het niet van collega-Amsterdammers, maar vooral niet van gedetineerden.
Amsterdammers imiteerden ook geregeld wat ik gezegd had, dreven de spot ermee en maakten daar platte rotopmerkingen over.
Dat was misschien helemaal niet zo bedoeld, maar ik voelde me te kak gezet.
Ze bakten trouwens niks van het Drentse dialect, maar ik kon er slecht tegen en werd kwaad.
Later, toen ik als bewaker wat ervaring had opgedaan in de bajes, raakte ik er wel aan gewend en had ik mijn woordje klaar.
Maar in het begin van mijn loopbaan had ik er moeite mee.

Zo moest ik een gevangene, een echte Amsterdammer, die zat voor een drugsdelict, vertellen wat de regels waren en waar hij zich aan moest houden.
Hij maakte me zo ongeveer uit voor rotte vis en ik had gelijk een enorme ruzie met die vent.
Aan mijn instructies had hij geen boodschap en hij denderde maar door in zijn platte Amsterdams met termen als: “Krijg de kankertyfus met je pleureszooi.
Dat gemierenneuk! Het zal me an me reet roesten. Krijg de klere met je regels, lul in de pot! (=Kletskous, Praatjesmaker).”
Ik zei tegen mijn commandant: “Als die vent me nog een keer een lul noemt, dan sla ik hem voor zijn bek. Ik laat me niet verrot schelden!”
“Kalm aan Ebel, dat meent hij niet zo. Amsterdammers lullen altijd zo. Wacht maar, hij draait zo wel bij.”
En dat was ook zo, want even later kwam hij bij me en zei: “Mot je een bakkie pleur?”
Ik was nog steeds in alle staten en zei: “Van jou? Sodemieter op, jij! Bekijk het even, van jou niet!”
Maar hij bleef aandringen en zei: “Ik wil even met je praten.”
“Ik heb helemaal niet de behoefte met jou te praten,” zei ik.
“Nou,” zei mijn commandant: ”Ik zou het toch maar doen, want wat hij zegt, lijkt misschien een belediging, maar hij bedoelt het niet zo.”
Dus met gepaste tegenzin nam ik hem mee naar zijn cel en daar hebben we samen wel twee uur gepraat.
Toen ging hij los: “Sorry bewaarder, trek ’t je niet an, ik ben geen bonjemaker en heb geen spatsies. Ik zeg nog tegen me eigen, ik had misschien effe me klep motte houwe. Die regeltjes van jullie zijn zo streng. Waarom? Ik heb er geen sjoege van maar ik word daar so pissig ven. Je ben voor mij helemaal geen lulhannes of zo, maar toen je met dat gemiereneuk aan kwam, werd ik effe gallisch.”
Toen begreep ik dat dit normaal taalgebruik voor hem was en dat hij alleen maar een hekel had aan strenge regels. Maar die waren er niet voor niks en dat begreep hij ook wel.
We werden het eens en ik had totaal geen last meer met hem.
Daarna heb ik samen met hem in de bajes nog menig ‘bakkie pleur” gedronken….
Later kreeg ik in Veenhuizen vaak met Amsterdammers te maken. Het was ook wel komisch, zoals ze vaak tegen ons en tegen elkaar tekeer gingen.
En mijn commandant had gelijk: “Amsterdammers lullen altijd zo………..”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *