Geplaatst op Geef een reactie

‘Amsterdammers lullen altijd zo’

“Het was in de jaren ’70, in het begin van mijn loopbaan als bewaker in Veenhuizen. Ik was pas bij de GeWa en ergerde me vaak aan het taalgebruik van Amsterdammers in de bajes. Ze hadden in mijn ogen veel te ruwe opmerkingen tegen ons. Dat lokte agressie van onze kant uit. Aan de andere kant dreven Amsterdammers vaak de spot met mijn Drentse accent, terwijl ik vond dat ik een aardig woordje Nederlands sprak. Ze haalden me daarmee regelmatig onderuit .
Het voelde in het begin als een belediging. Ik pikte het niet van collega-Amsterdammers, maar vooral niet van gedetineerden.
Ze imiteerden ook geregeld wat ik gezegd had, lachten me uit en maakten daar platte rotopmerkingen over.
Dat was misschien niet zo bedoeld, maar ik voelde me te kak gezet.
Ze bakten trouwens niks van het Drentse dialect, dat daargelaten, maar ik kon er slecht tegen. Later, toen ik als bewaker wat meer ervaring had opgedaan in de bajes, raakte ik er wel aan gewend en had ik mijn woordje klaar.

Zo moest ik een gevangene, een echte Amsterdammer, die zat voor een drugsdelict, vertellen wat de regels waren en waar hij zich aan moest houden.
Hij maakte me zo ongeveer uit voor rotte vis en het botste gelijk met die vent.
Mijn instructies konden hem gestolen worden. Hij denderde maar door in zijn platte Amsterdams met termen als: “Krijg de kankertyfus met je pleuris regels. Dat gemierenneuk! Het zal me an me reet roesten lul in de pot! (=Kletskous, Praatjesmaker).”
Ik zei tegen mijn commandant: “Als die vent me nog een keer een lul noemt, dan sla ik hem voor zijn bek. Ik laat me niet verrot schelden!”
“Kalm aan Ebel, dat meent hij niet zo. Amsterdammers lullen altijd zo. Wacht maar, hij draait zo wel bij.”
En dat was ook zo, want even later kwam hij bij me en zei: “Mot je een bakkie pleur?”
Ik was nog steeds in alle staten en zei: “Van jou? Sodemieter op, jij! Bekijk het even, van jou niet!”
Maar hij bleef aandringen en zei: “Ik wil even met je praten.”
“Ik heb helemaal niet de behoefte met jou te praten,” zei ik.
“Nou,” zei mijn commandant: ”Ik zou het toch maar doen, want wat hij zegt, lijkt misschien een belediging, maar hij bedoelt het niet zo.”
Dus met gepaste tegenzin nam ik hem mee naar zijn cel en daar hebben we samen wel twee uur gepraat.
Hij voelde wel dat hij te ver was gegaan tegen mij en zei : “Sorry bewaarder, trek ’t je niet an, ik ben geen bonjemaker en ik heb geen spatsies. Ik zeg nog tegen me eigen, ik had misschien effe me klep motte houwe. Maar die regeltjes van jullie zijn zo streng. Waarom? Ik heb er geen sjoege van maar ik word daar so pissig ven. Je ben voor mij helemaal geen lulhannes of zo, maar toen je met dat gemiereneuk aan kwam, werd ik effe gallisch.”
Toen wist ik dat dit normaal taalgebruik voor hem was en dat hij alleen maar een hekel had aan strenge regels. Maar die waren er niet voor niks en dat begreep hij ook wel.
We werden het eens en ik had totaal geen last meer met hem.
Daarna heb ik met hem in de bajes nog menig ‘bakkie pleur” gedronken….
Later kreeg ik in Veenhuizen veel vaker met Amsterdammers te maken. En ik moet zeggen: Het was ook wel komisch, zoals ze tegen ons en tegen elkaar tekeer gingen.
En mijn commandant had gelijk: “Amsterdammers lullen altijd zo………..”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *